Terug naar het overzicht

Een onderschatte universiteit
350 jaar Gelderse Academie in Harderwijk

Onder redactie van Liek Mulder en Willem Frijhoff, 1998

Op 12 april 1648 konden de inwoners van Harderwijk zich vergapen aan een plechtige gebeurtenis. Een lange stoet deftig geklede heren liep door de straten van de oude Hanzestad naar de Grote Kerk. Dat gezelschap bestond uit curatoren, hoogleraren en studenten van de Gelderse Academie, aangevuld met leden van het stadsbestuur. In de Grote Kerk hield de theoloog Johannes Christenius een feestrede. Zo werd 350 jaar geleden de Harderwijkse universiteit geopend.

Meer dan honderdvijftig jaar was Harderwijk universiteitsstad, een eer die gedeeld werd met vier andere Nederlandse steden: Leiden, Utrecht, Groningen en Franeker. Al is het een hachelijke zaak een ranglijst van universiteiten op te stellen, vrijwel zeker bungelde Harderwijk onderaan die fictieve ranglijst.

In dit boek wordt uiteengezet dat met name geringe financiële middelen daaraan debet waren. De Gelderse overheden bleken niet al te scheutig in hun subsidies aan de Harderwijkse hogeschool. Weinig geld betekende dat spraakmakende hoogleraren meestal spoedig hun heil bij beter betalende universiteiten zochten. Ook andere bestanddelen van de universiteit, zoals de gebouwen, de bibliotheek en de hortus botanicus leden onder de voortdurende financiële strijd om het bestaan. De minder goede naam van de Harderwijkse universiteit is ook terug te vinden in het rijmpje `Harderwijk is een stad van negotie, men verkoopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie’. De suggestie ervan is duidelijk: in Harderwijk neemt men het niet zo nauw met het wetenschappelijk gehalte van een proefschrift, als er maar betaald wordt.

Is die indruk van de Gelderse hogeschool juist? Al uit de titel blijkt dat de auteurs van dit boek er anders over denken. Zij vinden dat de Harderwijkse universiteit onderschat is, toen en nu. Dat standpunt berust op tal van feiten. In een aantal hoofdstukken wordt overtuigend aangetoond dat Harderwijk wel degelijk kwaliteit leverde. Weliswaar bezat de stad een kleine universiteit, maar dat betekende nog niet dat er ondermaats werd gewerkt. Dat later beroemde geleerden als Linnaeus en Boerhaave in Harderwijk promoveerden, was zeker geen toeval. Ook onder de Harderwijkse hoogleraren waren zeer bekwame mensen, die soms lange tijd hun krachten in dienst van de Gelderse Academie stelden.

Jubileum
Het jaar 1998 was een herdenkingsjaar, de universiteit werd 350 jaar geleden opgericht. Een onderschatte universiteit verschijnt ter gelegenheid van dat jubileum in de Harderwijk Reeks. Het boek is geen complete geschiedenis van de Gelderse Academie, maar een bundel artikelen over verschillende aspecten van de universiteit.

De Harderwijkse historicus Duinkerken schetst in hoofdstuk 1 een aantal facetten van Harderwijk in de 17e en 18e eeuw. De Nijmeegse historici Bots en Evers beschrijven in het tweede hoofdstuk het ontstaan van de Gelderse Academie en bepalen daarnaast de plaats van Harderwijk in wat zij noemen `het universitaire landschap van de Republiek’. In hoofdstuk 3 maakt Duinkerken de balans op: wat had de Gelderse hogeschool de stad Harderwijk te bieden? Uit zijn verhaal wordt duidelijk dat de betekenis van de universiteit voor de stad bepaald niet gering was. Dat blijkt wel uit de noodkreet van de curatoren toen sluiting van de universiteit angstig dichtbij kwam. In 1808 schreven zij `dat de stad bij gemis van de hooge school binnen weinige jaren in een visschersdorp zal veranderen, te meer uit hoofde dat er weinig handel en welvaart is’. Duidelijke taal.

De Harderwijkse historicus Mulder vertelt in hoofdstuk 4 het levensverhaal van een `gewone’ hoogleraar, zo gewoon dat er niet eens een portret van hem bewaard is gebleven. Dit geschreven portret werpt een onthullend licht op de - soms harde - dagelijkse praktijk van het universitaire leven. Thomassen, conservator namiddeleeuwse handschriften van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, vertelt in hoofdstuk 5 over de vriendenalbums van Harderwijkse studenten. De voorlopers van de poëziealbums zijn niet alleen aardig om te lezen, maar informeren ons ook over de manier waarop studenten en hoogleraren met elkaar omgingen.

Hoofdstuk 6 gaat over een roerige periode in de Nederlandse geschiedenis. Hoe verging het de Harderwijkse universiteit in de patriottentijd aan het eind van de 18e eeuw? Evers grijpt dit onderwerp aan om tegelijk een veelomvattend beeld van het universitaire leven te schetsen. Ook uit zijn bijdrage blijkt dat Harderwijk weliswaar een bescheiden, maar zeker geen slechte universiteit was. Hij onderstreept het thema van dit boek: de onderschatting van de Gelderse hogeschool.

Weliswaar sloot de universiteit in 1812 haar deuren, dat betekent nog niet dat de herinnering eraan is weggevaagd. De Jong, bestuurslid van de Oudheidkundige Vereniging Herderewich, beschrijft in hoofdstuk 7 het aanzien en de geschiedenis van nog bestaande gebouwen die nauw met de universiteit verbonden waren. Welke Harderwijker kent niet de Catharinakapel? Welke rol speelde dit tegenwoordige kunstcentrum in de geschiedenis van de universiteit?

Ten slotte vertelt Lodewijk in het laatste hoofdstuk over de universiteitscollectie in `zijn’ Veluws Museum. Het blijkt dat er naast gebouwen nog tal van andere voorwerpen bewaard zijn gebleven die aan de universiteit herinneren.